De rivier en de wachters

De fabel en metafoor

Dynamiek tussen macht, verandering en strategie

Langs de ruggengraat van het woud slingerde een rivier, zilver en soepel als de rug van een slang. Haar geur was die van nat mos en bloemen die in de schemering opengingen, van rottend loof en de adem van vissen onder het wateroppervlak. Zij kende geen muren, geen grenzen—totdat ze de Wachters bereikte.

De Wachters waren de grote rotspartijen, maar niemand zag hen als gewone stenen. Nee, in de mistige dageraad, als de zon zich voorzichtig door de nevel wrong, kon je de ogen van de Tapir zien, diep verzonken in het graniet. Je kon de gespannen rug van de Anaconda herkennen, verstard in eeuwige kronkels, en de scherpe hoektanden van de Jaguar, verborgen in de schaduwen van de rotswanden.

De rivier, nog jong en wild, droeg de stem van de Ara, fel en ongeduldig. “Waarom laten jullie mij niet stromen?” riep zij, opspattend tegen de gestolde wachters. “Waarom niet een nieuwe loop, vrij van oude kronkels?”

De Tapir snoof langzaam. De geur van oud hout en vochtige aarde steeg op. “Wie te snel wil rennen, botst.”

De Anaconda siste, koel als de ochtenddauw: “Wie te luid schreeuwt, wordt gehoord door jagers.”

En de Jaguar, stil en glijdend als de avond zelf, sprak niet. Maar zijn ogen flonkerden in het duister, en de rivier begreep. Dit was geen strijd om kracht, geen strijd om water tegen steen. Dit was een spel van schaduw en licht, van tijd en geduld.

Dus werd de rivier listig als de Ocelot en verdeelde zich in duizend kleine stroompjes, geurend naar citrus en bloeiende passiebloem, slingerend als lianen om de rotsen heen. Zij leerde de taal van de wortels, van de druppels die zich verzamelden in spleten, van de kikkers die in haar plassen zongen. En zo, zonder te botsen, zonder haar kracht te verspelen, omhelsde zij de Wachters tot zij slechts eilanden werden in haar groeiende stroom.

Toen de regentijd kwam en de rivieren zwollen, wist de Jaguar dat hij slechts op een eiland stond. De Anaconda zag hoe haar schuilplaats langzaam wegzonk. En de Tapir zuchtte, dronk van het water en zei:

“Nu heb je ons niet gebroken, maar omringd.”

En de rivier glimlachte in de eerste zonnestralen. Want wie vrij wil stromen, vecht niet tegen de rotsen. Hij leert hoe hij hen moet laten drijven.


Gepost op

in

door

Reacties

Plaats een reactie