Sinds 2012 filmt meneer Soemo jaarlijks de Keti Koti-herdenkingen en -vieringen in Nederland. Wat begon als een warm ritueel van verbondenheid, reflectie en feestelijkheid, is de laatste jaren steeds meer onderhevig aan publieke spanning. Waar eerder begrip en medeleven de boventoon voerden, maken wrok en negatieve reacties nu steeds vaker deel uit van het publieke decor. Vooral binnen blanke Nederlandse kringen klinken geluiden van irritatie, frustratie en “onderbuikgevoelens” — vaak toegeschreven aan het activisme van KOZP (Kick Out Zwarte Piet) en soortgelijke bewegingen. Maar hoe moeten we deze verschuiving duiden? Is dit een teken van maatschappelijke groei of juist van polarisatie? En welke rol speelt de overheid hierin — is zij verbindend of eerder verhardend?
In dit essay verkennen we deze vragen aan de hand van drie kernbegrippen: herdenking, identiteitspolitiek en institutionalisering. We tonen hoe het slavernijverleden, activisme, publieke emotie en bestuurlijke belangen samenkomen in een gelaagd sociaal landschap dat allesbehalve simpel is.
De veranderende toon van herdenking
Keti Koti (“verbroken ketenen”) staat in het teken van de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. Het is een dag van reflectie, maar ook van viering — van rouw én hoop. Door de lens van meneer Soemo’s jaarlijkse beelden valt op hoe de sfeer door de jaren heen evolueerde: van ingetogen herdenkingsplechtigheden tot levendige festivals vol muziek, dans en historische duiding.
Toch lijkt die feestelijkheid recentelijk minder harmonieus te worden ontvangen. Sommigen zien de dag steeds meer als een politiek geladen moment — als platform voor maatschappelijke aanklachten, eisen tot herstel en protest tegen institutioneel racisme. Vooral activistische groepen als KOZP koppelen de herdenking aan bredere antikoloniale en anti-racistische bewegingen. En juist dát raakt bij sommigen een gevoelige snaar.
Voor veel blanke Nederlanders roept dit ongemak op: ze voelen zich aangesproken, schuldig of buitengesloten. Sommigen duiden het als “verwijtend” of “woke moralisme” — en dat leidt tot defensieve reacties, wrok en zelfs terugtrekking. De vreugde van de viering wordt dan overschaduwd door het ongemak van beschuldiging.
Identiteitspolitiek: verdelend of helend?
De term identiteitspolitiek is beladen. Voor sommigen is het een noodzakelijke vorm van emancipatie — een manier om structurele onrechtvaardigheid bloot te leggen en historisch onzichtbare groepen een stem te geven. Voor anderen is het een strategie van verdeling: het benadrukken van verschillen ten koste van de gedeelde nationale identiteit.
Volgens een Hegeliaans perspectief zou men identiteitspolitiek kunnen zien als onderdeel van een dialectisch proces: tegenstellingen botsen, maar leiden uiteindelijk tot een synthese — een nieuw maatschappelijk evenwicht. In die zin zijn KOZP en geestverwanten geen oorzaak van verdeeldheid, maar onderdeel van het genezingsproces dat botsingen niet schuwt.

Toch is er ook kritiek: sommigen stellen dat identiteitspolitiek vooral dient om groepen in hokjes te plaatsen — zodat zij meer op elkaar letten dan op de overheid. In deze visie is het een vorm van neoliberale fragmentatie, waarin gemeenschap wordt vervangen door groepsbelang, en burgerlijke solidariteit wordt ingeruild voor culturele strijd.
De historische verzuiling in Nederland en Suriname biedt hier een interessant referentiepunt. Ook daar leefden mensen in gescheiden werelden — katholiek, protestant, socialistisch — ieder met eigen scholen, kranten en partijen. Die zuilen boden houvast, maar verhinderden ook gemeenschappelijke ontwikkeling. Is moderne identiteitspolitiek een herhaling van dat patroon? Of een noodzakelijke correctie op een lange geschiedenis van uitsluiting?
Institutionalisering: van de straat naar de staat
Sinds enkele jaren is Keti Koti geïnstitutionaliseerd. Dat betekent dat de herdenking niet langer een exclusief cultureel of activistisch moment is, maar onderdeel van nationaal beleid. De overheid verleent subsidies, biedt podiums en spreekt officiële excuses uit voor het slavernijverleden. In Suriname gebeurt dat al sinds de oprichting van het Kwakoe-monument in 1963; in Nederland kreeg het proces vaart met het werk van NiNsee, KOZP, het Herdenkingscomité en de recente Kennisagenda Slavernijverleden 2025–2035.
Institutionalisering biedt voordelen: het zorgt voor erkenning, educatie en politieke legitimiteit. Burgers profiteren van subsidies voor projecten, achternaamwijziging, gratis culturele evenementen en herstelfondsen. Er is meer ruimte voor dialoog, geschiedenis en bewustwording.
Maar er zijn ook zorgen. Sommigen stellen dat institutionalisering leidt tot bureaucratisering van emotie: dat herdenking verandert in beleid, en protest in subsidieaanvraag. Anderen vrezen dat activisme wordt “ingehekt” — dat de radicale kracht verloren gaat zodra de staat betrokken raakt.
De overheid zelf loopt op een koord: enerzijds moet ze erkenning bieden, anderzijds haar neutraliteit bewaren. In een democratie mag ze activistische geluiden niet censureren, zelfs als die ongemak veroorzaken. Maar haar steun kan ook worden gezien als partijdigheid — vooral als ze groepen faciliteert die door anderen als polariserend worden gezien.
Een lelijke kant of een noodzakelijke wrijving?
Is de veranderende publieke reactie op Keti Koti — het ongemak, de wrok, de “onderbuikgevoelens” — een lelijke kant van overheidsbeleid? Niet per se. Het is eerder een onvermijdelijke fase in maatschappelijke bewustwording.
Herdenken betekent niet alleen troost bieden, maar ook ongemak oproepen. Slavernijgeschiedenis is geen neutraal veld — het is beladen, pijnlijk en confronterend. Wie herdenkt, legt bloot. En wie blootlegt, brengt ook weerstand teweeg.
Dat sommige blanke Nederlanders zich aangevallen voelen, is begrijpelijk — maar ook een uitnodiging tot introspectie. Dat activisten hun stem verheffen, is soms confronterend — maar ook een teken van leven. En dat de overheid kiest voor erkenning en subsidiëring, is niet lelijk — het is een poging tot historische rechtvaardigheid, hoe complex die ook is.
Zoals Hegel zou zeggen: “Het ware is het geheel.” De botsing tussen activisme en ongemak, feest en wrok, herdenking en identiteitspolitiek vormt samen een geheel dat we niet moeten vermijden, maar aangaan.
Slotbeschouwing
Keti Koti is geen folkloristisch feestje, geen neutrale viering en geen vrijblijvende herdenking. Het is een levend ritueel dat mensen samenbrengt — soms schurend, soms helend, soms confronterend. De camera van meneer Soemo legt dat haarscherp vast: de blikken van verbinding, de tranen van herinnering, maar ook de verkramping van ongemak.
In een tijd van identiteitspolitiek, institutionalisering en verschuivende publieke emoties is Keti Koti meer dan een herdenking — het is een maatschappelijke spiegel. Wie erin kijkt, ziet niet alleen het slavernijverleden, maar ook het heden: hoe we omgaan met verschil, pijn en verandering.
Laten we daarom niet vluchten voor ongemak, maar het aangaan — met dialoog, empathie en durf. Want pas dan kunnen we van herdenking een brug maken. Niet tussen zuilen, maar tussen mensen.


Plaats een reactie