Elke week zat Leo op de koffie met Thomas, he? Dat was zo’n ritueel. Hij kwam altijd wat suf binnen, nog met die medicatie in z’n systeem. Z’n ogen zwaar, z’n hoofd als een olifant. Soms zag je Thomas zich ergeren aan Leo’s constante gapen. Hij zei er niks van, maar z’n blik zei genoeg. Leo kon er niks aan doen. Die medicatie moest gewoon, maar dat interesseerde Thomas niet. Eén ding was zeker: ze waren veilig met hem. Dat wist hij. Dat wist Thomas ook.
En dan weer aan de slag met Geert en Bart. Geert wilde meer vrijheid, z’n eigen tempo. Leo liet hem maar gaan. Tja, het moest wel onder controle blijven. Zolang Geert maar eerlijk was, kon Leo alles wel aan. Thomas had daar geen problemen mee. Alles was in beweging. En beweging vraagt om ruimte.
Soms, tijdens de pauzes, dacht Leo terug aan z’n oude werk in de zorg. Aan de verpleging in het ziekenhuis, waar hij vaak langsreed op weg naar het verzorgingshuis. Dat gebouw met z’n glazen gevel en die automatische deuren, dat was ooit z’n wereld. En elke keer als hij erlangs kwam, flashte dat verleden weer terug—gangen, bedden, mensen met witte jassen.
Wat Leo altijd raakte, was de nederigheid die mensen voelden bij zo’n uniform. Vooral de ouderen. Mannen en vrouwen in de leeftijd van z’n grootvader, als die nog had geleefd. Hij kende hun geboortejaren, herkende hun gezichten. En in hun ogen zag hij soms iets van ontzag, iets van overgave. Alsof dat uniform niet alleen zorg betekende, maar ook gezag, vertrouwen, misschien zelfs hoop.
En dan die jongens. Die jongens, ja. Hij was hun speelkameraad. Hij gaf ondersteuning, ambulant, namens de stichting die zich bekommert om mensen met een beperking. Hij kwam niet met een clipboard, maar met tijd. Met aandacht. Met zichzelf.
De ene jongen kwam uit een vechtscheiding. Ouders die elkaar niet meer konden luchten, en hij zat ertussen, op zoek naar rust. De ander kwam uit een ver land, omdat joden daar niet meer veilig konden zijn. Hij sprak weinig, maar keek veel. En weer een andere jongen had het nog zwaarder. Hij had AIDS. De gevolgen van een HIV-besmetting. Het hele gezin wilde zo lang mogelijk samen blijven. Tegenwoordig is die ziekte te overleven, maar dertig jaar geleden was dat een doodsvonnis van tien tot twintig jaar. Moeder natuur is genadeloos.
Maar Leo zei: je beste jaren ga je nu met mij beleven. Beloofd. Zo vertelde hij het toen, dertig jaar geleden. En belofte maakt schuld. Altijd uitvoeren.
Daarnaast werkte Leo toen ook al bij die stichting waar hij nu weer voor werkzaam was. Namen noemde hij niet, toen als beginner, misschien als jong talent—maar dat mochten anderen besluiten. Hij keek, leerde, en dat betaalde zich terug. Werken met mensen betekent altijd iets meemaken. Geboorte, ziekte, dood. Soms vier je het, soms weer niet. Het was nooit saai. Altijd was er wat. Soms liep hij vast, soms ging het uit de hand, maar de dankbaarheid was er altijd. In een blik, een handdruk, een stille moment. En dat was genoeg.

En dan dacht Leo weer terug aan Amsterdam. Aan die gekke vrouw. Maar voor hij daarover begon, was er eerst iets anders.
Leo was al aangenomen in Amsterdam-West, bij het Mercatorplein. De plek waar Ruud Gullit en Frank Rijkaard elkaar ooit tegenkwamen. Daar begonnen ze aan hun voetbalcarrière. Gewoon met straatvoetbal, op die tegels.
Maar toen Leo eenmaal was aangenomen, gooide de NSO—de naschoolse opvang—er zeven weken tussen. Dus hij moest overbruggen. Dat deed hij met een uitzendbureau dat hem een vakantiebaantje aanbood. Hij pakte die baan aan, want hij zat nog in de flow. Geen reden om stil te vallen.
En daar leerde hij Li en Harm kennen. Harm? Hoe dan? Ben je toch groot, of blond, of allebei? Maar nee, Harm was een kleine Hindoestaan met Surinaamse roots. Leo moest lachen. Die naam paste niet bij het plaatje, maar misschien was dat juist de bedoeling. Li had een accent. Ze kwam uit het buitenland. Leo wist niet precies waar vandaan, maar haar klanken waren zacht, zangerig. En zo begon dat tijdelijke werk, met onverwachte ontmoetingen en nieuwe gezichten.
Met die twee had Leo flink gelachen op kantoor. Het werk was saai, dat gaf niemand toe, maar iedereen wist het. Naast hen zaten nog vier anderen: een Afro-Surinaamse dame die haar eigen ding deed, en drie blondines die duidelijk vriendinnen waren. Ze vormden hun eigen eilandje, en dat was helemaal prima.
Met Harm had Leo de meest bizarre politieke discussies. Over welke stad eigenlijk meer hondenpoep op straat had—Amsterdam of Rotterdam. Harm met z’n platte Amsterdamse accent, Leo met z’n Rotterdamse tongval. Het klonk als een sketch. Ze groeide op in een tijd waarin integratie eigenlijk nog niet bestond. Als Surinaams kind werd je gewoon verhollandst. En zo klonk het ook op kantoor. Een mix van klanken, van werelden, van verhalen.
Met Li was het ook lachen. Ze vertelde vaak over haar man en dochter. Zo lief, met dat piepstemmetje van haar. Eens liet ze Leo een foto zien van haar dochter. “Lijkt ze op me?” vroeg ze. Leo knikte: “Jullie hebben dezelfde ogen.” “Ja duh,” zei ze, “we hebben allebei spleetogen.” En ze rolden allebei in de lach. De rest van het kantoor keek op, maar niemand vroeg iets. Het was hun moment.
En dan die muziek van Shaggy. Leo zat op kantoor, dag in dag uit, hetzelfde te doen. Urenbriefjes invoeren, getallen en namen overtypen, handmatig. Geen automatisering, geen verrassingen. Dus stond de radio de hele dag aan. En die zomer hoorde hij Shaggy met Angel. Steeds weer. Op het ritme van de muziek tikte hij op z’n toetsenbord. Het werd een soort trance. Muziek als een metronoom.
En toen dat bericht. Herman Brood had zichzelf van het dak gegooid. Dat was de hele dag op de radio. Leo zat erbij, luisterde, werkte door. Brood had het opgegeven. Zijn lichaam gaf het op. Iedereen kende hem als Rock-‘n-Roll junkie. Drugs, alcohol, chaos. Op tv had hij nog gezegd dat hij twaalf gezinnen moest onderhouden. Dat deed hij door kunst te schilderen. Maar hij gaf aan moe te zijn. Zijn lichaam was op. Hij leed.
Leo kwam die zeven weken door op kantoor. Met Shaggy, met Brood, met de radio als zijn maatje. En met de wetenschap dat zelfs op de saaiste dagen iets kan gebeuren wat je bijblijft.



Plaats een reactie