Suriname: Onafhankelijk, maar nog steeds onderweg

Een land verdeeld

Rotterdam – Stel je Suriname voor in de jaren zestig en zeventig. Een klein land, maar totaal verdeeld langs etnische grenzen. Creolen, Hindoestanen, Javanen, Marrons, Chinezen en inheemsen leefden grotendeels in hun eigen zuilen. Elke groep had zijn eigen scholen, kerken, vakbonden en politieke partijen. Het was een samenleving waarin men elkaar vooral door de bril van afkomst en huidskleur bekeek.

In de Staten van Suriname, het parlement, weerspiegelde die verdeeldheid zich scherp. De Nationale Partij Suriname (NPS), met een Creoolse achterban, en de Vooruitstrevende Hervormings Partij (VHP), met een Hindostaanse basis, waren de dominante spelers. Daarnaast waren er ook Javaanse partijen, zoals de Kerukunan Tulodo Pranatan Inggil (KTPI) en later de Pendawa Lima (PL). Zij vertegenwoordigden de belangen van de Javaanse gemeenschap en voegden nog een laag toe aan de etnische verzuiling van het land. Coalities waren vaak fragiel, en wantrouwen tussen de groepen zat diep.

Advertentie

Eddy Bruma en de droom van onafhankelijkheid

In die context stond Eddy Bruma op. Jurist, schrijver, nationalist. Hij was ervan overtuigd dat Suriname niet langer onder het koloniale juk kon blijven leven. Voor hem was onafhankelijkheid niet alleen een politieke kwestie, maar ook een culturele en psychologische bevrijding.

Bruma hield vurige betogen, en ook een keer in de Staten van Suriname. Hij sprak over het slavernijverleden, de uitbuiting van contractarbeiders, en de noodzaak om als volk zelf de koers te bepalen. Zijn woorden waren radicaal voor die tijd. Veel parlementariërs luisterden uit beleefdheid, maar niet uit overtuiging. Toch zette hij onafhankelijkheid op de agenda, jaren voordat het werkelijkheid werd.

Het verhaal volgens André Haakmat

Dat we dit weten, komt mede door André Haakmat. Hij vertelde later, onder andere op Nederlandse televisie, hoe Bruma’s betogen in de Staten van Suriname uiteindelijk leidden tot een formele brief naar Den Haag.

Haakmat schetste het zo: men wilde Bruma niet het gevoel geven dat hij niet serieus genomen werd, en stuurde daarom een beleefde brief naar Nederland met het verzoek om onafhankelijkheid. Men ging ervan uit dat het antwoord “nee” zou zijn. Maar Den Haag zei “ja”.

Volgens Haakmat raakte Paramaribo in paniek. Onafhankelijkheid was eng, met de beelden van Afrika in het achterhoofd: honger, oorlog, instabiliteit. Maar niemand durfde terug te krabbelen. Het resultaat was een onafhankelijkheid die meer leek op een diplomatiek misverstand dan op een bewust gekozen pad.

Wie was André Haakmat?

Balkonscène Paramaribo

Haakmat (1939) was een Surinaamse jurist en politicus. Hij woonde lange tijd in Nederland, maar keerde na de coup van Desi Bouterse in 1980 terug naar Suriname op verzoek van zijn vriend Henk Chin A Sen. Haakmat werd vicepremier en minister van Justitie en Politie.

Hij probeerde samen met Chin A Sen een balans te vinden tussen civiele politiek en het leger, maar kwam al snel in conflict met Bouterse. In 1981 werd hij uit het kabinet gezet en keerde terug naar Nederland. Daar schreef hij De revolutie die faalde (1987), waarin hij de militaire periode fileerde.

Haakmat was dus niet alleen een getuige van de onafhankelijkheid, maar ook een actieve speler in de jaren daarna. Zijn scherpe analyses maken duidelijk dat onafhankelijkheid vaak meer schijn dan werkelijkheid was.

Draagvlak in Nederland

Dat “ja” uit Den Haag was geen toeval. In Nederland leefde een breed draagvlak om Suriname onafhankelijkheid te geven.

  • Schuldgevoel: Na Indonesië en de Tweede Wereldoorlog was er besef dat kolonialisme niet langer houdbaar was.
  • Generatie-ervaring: Mannen die armoede en honger in de jaren ’30 hadden meegemaakt, en daarna de Duitse bezetting, herkenden in koloniale praktijken dezelfde mechanismen van racisme en onderdrukking.
  • Politieke trend: Dekolonisatie was wereldwijd gaande. Nederland wilde niet de laatste koloniale macht zijn die vasthield aan kleine overzeese gebieden.

Paniek en papieren onafhankelijkheid

In Paramaribo brak paniek uit. Onafhankelijkheid was eng, maar niemand durfde terug te krabbelen. Op 25 november 1975 werd Suriname officieel onafhankelijk. President Johan Ferrier, premier Henck Arron, vlag en volkslied – alles leek geregeld. Maar achter de symboliek bleef de realiteit hard:

  • Economisch bleef Suriname afhankelijk van Nederlandse multinationals en ontwikkelingshulp.
  • Het Nationaal Leger werd opgericht, maar gefinancierd door Nederland.
  • Politiek kreeg Suriname autonomie, maar sociaal en cultureel bleven oude patronen bestaan.

Massale migratie naar Nederland

Voor veel Surinamers was de onafhankelijkheid reden om te vertrekken. Tienduizenden kozen ervoor om Nederlander te blijven. Hun motieven waren divers:

  • Angst voor chaos: Het idee dat “te veel zwart” in de overheid zat, gecombineerd met tv-beelden van Afrikaanse landen vol armoede en oorlog, maakte mensen onzeker.
  • Onderwijs: Er gingen verhalen dat kinderen van arbeiders in Nederland konden studeren op kosten van de overheid. Voor gezinnen was dat een enorme kans.
  • Zekerheid: Nederland bood stabiliteit en toekomstperspectief dat Suriname niet kon garanderen.

Voorbereiding: namen en identiteit

Die migratie was niet helemaal onverwacht. Al tien jaar eerder waren Surinamers voorbereid. In het onderwijs werd ouders aangeraden hun kinderen naast hun traditionele namen ook Nederlandse of Westers klinkende namen te geven.

Het idee was simpel: als je kind later dokter of advocaat werd, moest zijn naam uitspreekbaar zijn voor Nederlandse patiënten of cliënten. Daarom zie je vandaag dat veel Javaanse en Hindostaanse mannen en vrouwen van rond de vijftig een dubbele naam dragen: een traditionele achternaam plus een Nederlandse voornaam.

Onafhankelijkheid Suriname 1975

Voor Surinamers zelf was het nooit een probleem om namen als Kartowikromo of Badhalsingh uit te spreken. Maar voor Nederlanders bleef het een worsteling. Dat verschil verraadt nog steeds wie uit Suriname komt en wie niet.

Machtsoverdracht op papier

De onafhankelijkheid van 1975 was dus vooral een papieren machtsoverdracht. Surinamers spraken voortaan het laatste woord, maar namens wie? Niet namens een volledig zelfstandig volk, maar namens de economische machthebbers die er vóór en ná 1975 zaten. Multinationals bleven, geldstromen uit Nederland bepaalden de koers, en het leger draaide op Nederlands belastinggeld.

Het was een onafhankelijkheid van symbolen, niet van structuren.

Conclusie: strijd nog niet gestreden

Suriname is onafhankelijk sinds 1975, maar de strijd om echte zelfstandigheid is nog niet voorbij. Economisch, sociaal en cultureel blijft het land zoeken naar een eigen koers.

Voor jou betekent dat: onafhankelijkheid is geen eindpunt, maar een weg die nog steeds bewandeld wordt. Zolang Suriname afhankelijk blijft van externe machten of gevangen zit in interne verdeeldheid, is die strijd niet gestreden.


Gepost op

in

door

Reacties

Plaats een reactie