Rotterdam mist hem. Dat voel je in de nacht, in de kroegen, op straat. Jules Deelder – dichter, performer, nachtburgemeester – is er niet meer, maar zijn geest waart nog rond. Zes jaar na zijn overlijden verrijst er een portret van hem op een gevel langs het spoor in Blijdorp. Een eerbetoon dat dik verdiend is. Want Jules was niet zomaar een dichter. Hij was een verschijning, een stem, een soundtrack van de stad.
Hij zag zijn eerste daglicht in de hongerwinter van 1944, in een stad die kapotgebombardeerd was en zichzelf opnieuw moest uitvinden. Dat nest, die jeugd, dat decor van verwoesting en wederopbouw: het vormde hem. Het gaf hem de rauwheid, de scherpte, de discipline. Rotterdam zat in zijn botten, en hij gaf Rotterdam terug aan zichzelf – in woorden, in muziek, in nachtelijke verschijningen.
Het nest en de jeugd
Jules werd geboren als Justus Anton Deelder, in Overschie. Zijn vader werkte bij de Rotterdamsche Bank, zijn moeder hield het gezin draaiende. Het was oorlog, het was honger, het was kou. De stad lag in puin. En juist daar, in die ruïnes, ontstond een jongen die later de stad zou bezingen en bespotten, zou verdedigen en zou vieren.
Op school was hij geen doorsnee leerling. Hij volgde de HBS, probeerde even Nederlands te studeren, maar de roep van de kunst was sterker. Jazz, de Beat Generation, de underground – dat waren zijn leraren. Kerouac, Ginsberg, Burroughs: zij gaven hem ritme, zij gaven hem taal. Zijn eerste gedicht verscheen in 1962. Vanaf dat moment was er geen weg terug.
Rotterdam als hartslag
Deelder bleef altijd in Rotterdam. Hij was geen dichter die zich terugtrok in ivoren torens. Hij was een man van de straat, van de kroeg, van de nacht. Hij werd de nachtburgemeester van Rotterdam, niet omdat iemand hem benoemde, maar omdat hij die rol leefde.
Zijn verschijning was iconisch: strak achterovergekamd haar, gangsterpak, ziekenfondsbrilletje, sikje. Hij was een herkenningspunt in de stad. Je kon hem tegenkomen bij elk feest dat ertoe deed, omringd door artistieke en excentrieke figuren, goedgeklede mensen die de nacht zagen als podium. Jules paste daar perfect in. Hij was de belichaming van de Rotterdamse nacht: stijlvol, scherp, compromisloos.
De dj van de dinsdag
Een van zijn vaste podia was café Willens en Wetens op de Nieuwe Binnenweg. Dinsdagavonden waren van Jules. Hij stond achter de draaitafels en liet de stad horen wat jazz kon zijn. Niet stoffig, niet elitair, maar levend, ritmisch, meeslepend.
Zelfs wie geen jazzfan was, kwam speciaal voor zijn sets. Hij had smaak, hij had gevoel, hij wist hoe je een avond kon dragen met platen. Hij gaf Rotterdam een soundtrack. En dat was geen bijzaak: het was een verlengstuk van zijn poëzie. Net zoals hij met woorden ritme maakte, deed hij dat met muziek.
De woorden over middelen
Jules sprak ook openlijk over zijn middelengebruik. Hij verdedigde het, niet met excuses maar met logica. “Waarom zou ik een witte jas aan moeten hebben voor deze middelen? Dat zijn ook drugs.” Het was zijn manier om hypocrisie bloot te leggen.

Hij wees op het arbitraire onderscheid tussen medicijnen en andere middelen. Voor hem hoorde experimenteren bij vrijheid, bij jazz, bij nachtleven. Hij maakte er geen geheim van, hij maakte er een statement van. En tegelijk bleef hij scherp, helder, gedisciplineerd. Dat contrast maakte hem intrigerend: een man die grenzen opzocht, maar nooit zijn werk of zijn stad verwaarloosde.
Het nieuwe portret
Nu, zes jaar na zijn dood, komt er een muurschildering van Jules in Blijdorp. Kunstenaar Ricardo van Zwol werkt eraan. Het portret verrijst op de gevel van het Wolfert van Borselen aan de Bentincklaan, zichtbaar voor treinreizigers. Het moet voor kerst af zijn.
Waarom daar? Niet omdat Jules er woonde. Maar omdat het een plek is waar hij gezien wordt, waar hij onderdeel wordt van het dagelijkse ritme van de stad. Net zoals hij vroeger overal aanwezig was, wordt hij nu opnieuw zichtbaar. Het is een symbolische keuze: Jules als icoon, als herinnering, als deel van de stad.
De stad als podium
Jules was meer dan een dichter. Hij was een performer, een dj, een nachtburgemeester. Hij gaf Rotterdam een stem, een gezicht, een soundtrack. Hij maakte van de stad een podium. En dat podium was niet alleen voor hem. Het was voor iedereen die durfde, iedereen die zich goed kleedde, iedereen die de nacht zag als ruimte voor vrijheid.
Hij trok mensen aan, hij gaf ze energie. Hij was een katalysator van stijl en excentriek. En dat is wat nu gemist wordt: die vanzelfsprekende aanwezigheid, die man die de stad belichaamde.
Furie tegen armoede en onderdrukking
Maar Jules was niet alleen een man van stijl en nacht. Hij was ook een man van rechtvaardigheid. Zijn woorden, zijn houding, zijn uitspraken waren vaak een aanval op hypocrisie, op onderdrukking, op bekrompenheid. Hij had furie tegen extreme armoede en uitbuiting.
Zijn logica over middelengebruik was daar een voorbeeld van: hij liet zien hoe macht en systemen bepalen wat wel en niet geaccepteerd is. Hij draaide het om, hij maakte het zichtbaar. En dat is precies wat Rotterdam nodig had – en nog steeds nodig heeft.
De omgeving van de mens
Een van zijn bekendste uitspraken hangt in neon aan de Nieuwe Binnenweg: “De omgeving van de mens is de medemens.” Dat is Jules in een zin. Het gaat niet om systemen, niet om macht, maar om mensen. Om hoe we elkaar zien, hoe we elkaar dragen, hoe we elkaar vieren.
Die uitspraak is een erfenis. Het is een herinnering dat vrijheid en rechtvaardigheid niet abstract zijn, maar concreet. Ze zitten in hoe we met elkaar omgaan.
Tot in het hiernamaals
Jules is er niet meer. Hij overleed in 2019, 75 jaar oud. Maar hij leeft voort. In zijn woorden, in zijn muziek, in zijn verschijning. In muurschilderingen, in neonletters, in herinneringen.
En misschien, in het hiernamaals, draait hij weer platen op een dinsdagavond. Misschien leest hij weer gedichten in een kroeg. Misschien groet hij de stad opnieuw.
Voor nu groeten wij hem. De groeten, Hules. Tot in het hiernamaals.



Plaats een reactie