Rotterdam – Je kent het wel, dat moment waarop je een ruimte binnenstapt en meteen voelt dat de energie niet klopt. Alsof de muren fluisteren dat je welkom bent, maar de mensen in de ruimte iets anders uitstralen. Je loopt naar binnen met de beste bedoelingen, je zet je voeten neer op de vloer van een plek die bedoeld is voor de hele wijk, en toch merk je dat je er niet helemaal tussen past. Niet omdat jij verandert bent, maar omdat de ruimte niet begrijpt wie jij bent en waar jij vandaan komt. Dat is het gevoel dat je krijgt wanneer je de Warme Huiskamer in de Pleretstraat binnenstapt, een plek die warmte belooft maar waar de temperatuur soms daalt zodra je een opmerking maakt die niet in het script past. Je komt binnen als Crooswijker, als Nederlander, als iemand die de wijk kent en de wijk jou, maar je merkt dat de mensen die de leiding hebben niet dezelfde taal spreken, zelfs als ze Nederlands praten. Niet de taal van de straat, niet de taal van de wijk, niet de taal van de ongeschreven regels die Crooswijk al generaties overeind houden.
Je komt daar niet om moeilijk te doen. Je komt voor een kop koffie, een praatje, een beetje menselijkheid. Je komt omdat je dertig jaar lang activiteiten hebt begeleid en weet hoe je een ruimte laat ademen, hoe je mensen op hun gemak stelt, hoe je een plek maakt waar iedereen binnen kan lopen zonder zich bekeken te voelen. Je komt omdat je tijd hebt, omdat je iets wilt bijdragen, omdat je denkt dat een Warme Huiskamer een plek kan zijn waar de wijk elkaar vindt. Maar dan krijg je koffie die smaakt alsof het apparaat al jaren om hulp roept, en wanneer je voorzichtig vraagt of er gemalen koffie is zodat je het kunt doorroeren tot een fatsoenlijke toebroek, wordt je opmerking ontvangen alsof je een persoonlijke aanval hebt gepleegd. Alsof je niet een simpele suggestie doet, maar een belediging uitspreekt die de leiding raakt in haar ziel. En dan merk je dat de warmte niet zit in de koffie, maar in de frictie die ontstaat wanneer iemand niet begrijpt dat feedback geen aanval is, maar een uitnodiging om het beter te doen.
Je staat daar, met je kop koffie die meer weg heeft van slootwater dan van iets dat je met trots serveert, en je voelt de spanning in de lucht. Je ziet hoe Olga, de vrouw die de leiding heeft, je aankijkt alsof je haar eer hebt aangetast. Alsof jij degene bent die niet begrijpt hoe het hoort. Maar jij weet beter. Jij weet hoe het hoort omdat je al dertig jaar met mensen werkt, omdat je weet hoe je een ruimte veilig maakt, omdat je weet hoe je een wijk bedient die bestaat uit Nederlanders van alle kleuren en achtergronden. Je weet hoe je een Caraïbische Nederlander niet het gevoel geeft dat hij een figurant is in een Hollywoodfilm over de jaren zestig in Mississippi. Je weet hoe je voorkomt dat iemand zich zwart voelt tegenover een witte blik die niet begrijpt wat er misgaat. En toch gebeurt het. Niet omdat jij veranderd bent, maar omdat de ruimte niet begrijpt wie jij bent en wat Crooswijk is.
Je denkt dat het bij die koffie blijft, maar dan komen de broodjes. Je pakt er één, je neemt een hap, je proeft dat het niet vers is maar je denkt: ach, het is gratis, het is voor de wijk, het zal wel meevallen. Tot je het broodje omdraait en kleine groene rondjes ziet die je niet meteen herkent door je slechte ogen, maar die je na een tweede blik herkent als schimmel. Je denkt dat het een incident is, een foutje, iets dat kan gebeuren. Maar dan gebeurt het nog een keer, op een andere dag, met een ander broodje. En dan weet je dat dit geen foutje is, maar een patroon. Een patroon van onkunde, van gebrek aan basiskennis, van iemand die een wijkvoorziening runt zonder te begrijpen wat verantwoordelijkheid betekent. Je weet dat een beetje bakkerij dit nooit zou meegeven, dat geen enkele organisatie die voedsel uitdeelt broodjes zou serveren die al een eigen ecosysteem hebben ontwikkeld. En dan vraag je je af hoe lang die broodjes daar al lagen, waar ze bewaard werden, wie dacht dat dit acceptabel was. Je vraagt je af hoe iemand die verantwoordelijk is voor een gesubsidieerde voorziening zo weinig weet van voedselveiligheid dat schimmelbroodjes door de keuring komen.

Je denkt terug aan de wijk, aan de mensen die hier al generaties wonen. Blanke Nederlanders, Caraïbische Nederlanders, Kaapverdianen, Surinamers, moslims, joodse bewoners. Mensen die elkaar kennen, die elkaars grenzen kennen, die weten hoe je samenleeft in een wijk die altijd in beweging is. Je denkt aan de Halloweenfeesten van tien jaar geleden, georganiseerd door blanke Crooswijkers die hun kinderen en kleinkinderen wilden laten genieten van iets dat de hele wijk samenbracht. Feesten die verboden werden omdat ze tegen de religie zouden zijn van immigranten die vijftig jaar geleden naar Crooswijk kwamen. Je denkt aan de ironie dat de kleinkinderen van diezelfde immigranten nu buitengesloten worden door nieuwkomers die de wijkcodes niet kennen. Je denkt aan de balans die Crooswijk altijd heeft gehad, een balans die niet vanzelfsprekend is maar die gedragen wordt door mensen die weten hoe je met verschillen omgaat zonder elkaar te verliezen.
En dan komt Grigor. Een man die een Nederlandse ambtenaar beschuldigt van liegen, terwijl hij zelf een voorziening runt die niet eens voldoet aan de basisnormen van gastheerschap en hygiëne. Een man die meer kansen krijgt dan veel Crooswijkers ooit hebben gehad, en die toch de mensen aanvalt die hem helpen. Je ziet hoe dat bij mensen binnenkomt. Niet omdat hij uit Oekraïne komt, maar omdat hij de wijkcodes niet kent. Omdat hij niet begrijpt dat je in Crooswijk niet zomaar iemand een leugenaar noemt, zeker niet iemand die je probeert te ondersteunen. Omdat hij niet begrijpt dat je in een wijk als deze niet alleen verantwoordelijk bent voor je eigen gemeenschap, maar voor iedereen die binnenkomt. Omdat hij niet begrijpt dat je in Crooswijk geen ruimte runt voor mensen die op jou lijken, maar voor mensen die de wijk vormen.
Je weet dat er onderbuikgevoelens bestaan over Oost-Europese immigranten. Niet omdat mensen slecht zijn, maar omdat mensen ervaringen hebben. Omdat mensen nieuws zien over antisemitisme, over extremistische groepen, over oorlogen en bataljons waarvan de namen blijven hangen. Je weet dat dit niet altijd eerlijk is, niet altijd genuanceerd, maar het bestaat. En wanneer iemand als Grigor zich gedraagt alsof hij boven de wijk staat, alsof hij de regels bepaalt, alsof hij de ambtenaren die hem helpen kan beschuldigen zonder consequenties, dan groeit dat gevoel. Niet omdat mensen haten, maar omdat mensen zien dat de balans verschuift. En Crooswijkers houden niet van verschuivingen die niet in overleg gaan.

Je denkt aan de Caraïbische joden van Crooswijk, aan de joodse Nederlanders met een oorlogsverleden, aan de Surinaamse Nederlanders die geen oorlog hebben meegemaakt maar wel geschiedenisles hebben gehad. Je denkt aan de manier waarop deze groepen samenleven, hoe ze elkaar begrijpen, hoe ze weten wat gevoelig ligt en wat niet. Je denkt aan de manier waarop nieuwe immigranten soms binnenkomen zonder die kennis, zonder dat bewustzijn, zonder dat referentiekader. En je ziet hoe dat botst. Niet omdat mensen slecht zijn, maar omdat mensen elkaar niet begrijpen.
En dan kijk je naar de Warme Huiskamer en je ziet dat het probleem niet zit in afkomst, maar in onkunde. In gebrek aan kennis van de wijk. In gebrek aan sociale vaardigheden. In gebrek aan bewustzijn van de culturele diversiteit die Crooswijk al generaties draagt. Je ziet dat dit polariseert. Je ziet dat dit de wijk geen goed doet. Je ziet dat dit niemand helpt, niet de wijk, niet de nieuwkomers, niet de mensen die op hen lijken. Je ziet dat dit een plek is die warmte belooft maar kou veroorzaakt. En je weet dat Crooswijk beter verdient.



Plaats een reactie