Onrust in de Naschoolse Opvang: Teamdynamiek, ID‑Baners en Spanningen

In het gebouw aan het Balboaplein had Leo samen met Bettine en Wilma een eigen lokaal. Het was ingericht zoals een naschoolse opvang hoort te zijn: lage tafels, kleurige stoelen, knutselmateriaal in bakken, spelletjes in kasten die altijd nét niet helemaal dicht wilden. Het lokaal ademde levendigheid, precies de sfeer waarin Leo het beste functioneerde. Zijn enthousiasme voor het werken met kinderen was voelbaar en oprecht, en de vrolijke chaos om hem heen gaf hem de energie die hij nodig had om elke dag weer met volle overtuiging aan de slag te gaan.

Direct naast hun ruimte zat een klein kantoortje, een soort tussenstation waar administratie werd gedaan, telefoontjes werden gepleegd en waar soms even werd gevlucht voor de drukte van twintig kinderen. Het kantoortje had een specifieke functie, maar voor Leo werd het ook een observatiepunt. Door de ramen kon hij de rumoerige activiteiten in zijn groep volgen, maar ook een blik werpen op het andere lokaal — eveneens gevuld met twintig kinderen, twee groepsleiders en een groepsassistente. Daar, in dat andere lokaal, gebeurde iets dat Leo zorgwekkend vond.

In dat lokaal werkte ook een ID-baner, een vrouw van veertig-plus die voor het eerst in haar leven een baan had. Geen keuze, maar een verplichting van de overheid om een leven lang uitkering om te zetten in werk. Leo voelde meteen de onzekerheid die zij met zich meebracht: het zoeken naar houvast, de voorzichtigheid in haar gaze. Het was een herkenbare energie, vergelijkbaar met die van Wilma, maar toch anders. Iedereen draagt zijn eigen geschiedenis mee, en Leo had een scherp oog voor die onderstromen. Bijna intuïtief kon hij aanvoelen dat deze groepsassistente, Jasmine, nog zoekende was. Ze had de koude, bijna lege blik van iemand die zich niet kon vinden in wat er van haar verwacht werd.

Advertentie

In het andere lokaal zaten de oudere kinderen, tussen de acht en twaalf jaar. De groep werd geleid door Jarno en Mieke, met Jasmine als groepsassistente. Leo merkte op dat ook zij, net als de andere assistente, haar intrede deed in het werkveld vanuit een ID-baan. De blik in haar ogen vertelde hem dat ook zij, net als andere ID-baners, de weg nog niet helemaal gevonden had. Leo kon dat aanvoelen met de precisie van iemand die al langer in dit veld werkte. De kinderen in die groep leken anders. Er was een drukte aanwezig die niet gezond was. Het voelde als een opgefokte energie die nergens heen kon, en de omgeving bloedde in onrust.

Af en toe keek Leo naar hun lokaal. Soms vanuit de gang, soms vanuit het kantoortje dat precies tussen de twee lokalen in lag. Het was een soort observatiepunt, een plek waar je even kon ademhalen en tegelijk alles kon zien. En wat Leo zag, beviel hem niet. De kinderen bewogen chaotisch door de ruimte; het was geen vrolijke drukte, maar iets dat meer weg had van een spanning die zich over de groep had verspreid. Een onzichtbare schaduw die hen verlamde.

Jarno en Mieke hadden een blik in hun ogen die Leo niet kon plaatsen. Onverschillig, bijna leeg. Alsof ze er wel waren, maar tegelijk niet. Hun lichaamstaal was gespannen, hun stemmen kortaf, hun aandacht versnipperd. Het onwelkome gevoel sijpelde bij Leo naar binnen; iets klopte hier niet. Het was geen concreet incident, geen duidelijke fout, geen zichtbaar conflict. Het was die onderstroom, een sfeer die niet gezond was. En Leo, die altijd gevoelig was geweest voor dynamiek, pikte dat feilloos op. Hij bruiste van de energie, terwijl om hem heen een schuilende chaos zich ontvouwde.

Wat Leo al snel opmerkte, was dat Jasmine de boventoon voerde in het andere lokaal. Dat vond hij vreemd. Zij was de groepsassistente, iemand met een ID-baan, iemand die eigenlijk ondersteund moest worden — niet de leiding nemen. Maar in die groep was het precies andersom. Mieke, officieel één van de twee HBO-opgeleide groepsleiders met een PABO-achtergrond, gedroeg zich alsof ze de assisterende rol had. De gaten in hun opbouw waren niet meer te negeren, en de kinderen leken te leven langs de randen van hun gezag.

De onvrede binnen het team was tastbaar. Er werd gefluisterd, niet openlijk maar tussen de regels door. Collega’s ervaarden Mieke als “niet leuk”, als iemand met wie je moeilijk kon samenwerken. Leo hoorde het, en vielen puzzelstukjes op hun plek. De ongezonde energie die hij bij de kinderen zag — de onrust, de drukte, de chaotische dynamiek — kwam niet uit het niets. Kinderen spiegelen altijd de volwassenen die hen leiden. Leo realiseerde zich dat er een snijdende kritiek aanwezig was die de dynamiek van de groep beïnvloedde, maar wat de oorzaak was, bleef voor hem verborgen.

Ondanks zijn zorgen bleef Leo optimistisch. Hij hoopte dat hij met zijn eigen energie, zijn eigen manier van werken, iets kon bijdragen aan een betere sfeer. Hij geloofde in het goede, in verandering, in de kracht van een positieve aanwezigheid. Na jaren van ervaring wist hij dat verandering een proces is, een reflectie van de mensen die het maken. De andersdenkende aanpak die hij als sociaal-pedagogisch hulpverlener had, zou mogelijk het verschil kunnen maken. Hij werkte vanuit zijn hart, vanuit de mens in plaats van enkel vanuit het systeem.

De clashfase van de groep

Leo had ervaring rondom nieuwe groepen en wist dat er altijd een aantal fases doorlopen moesten worden: kennismaking, sympathie en antipathie, de eerste botsingen, voordat cohesie zich kon vormen. En ja, het moment waarop een kind besloot hem uit te proberen volgde.

Toen hij op een dag met hen aan het spelen was, gebeurde het. Een kind testte hem, stak zijn vingers in de lucht en riep het hardst wat hij kon: “Nou en, ik doe toch wat ik wil!” Het was een uitdagende poging om de grenzen te verkennen, en Leo merkte direct dat dit zijn geduld op de proef stelde. Er was boosheid in hem opgestegen, maar ook helderheid. Het was een specifieke situatie; Leo nam het kind apart en confronteerde hem met zijn acties. Daarbij was Leo zowel streng als menselijk — een complexe balans die in zijn specifieke rol verwacht werd.

Bettine, altijd de zorgzame, gaf hem een knipoog. Ik neem het hier wel over, leek ze te zeggen, maar Leo was gefocust op het kind.

In het kantoortje stond Mieke, met een kopje thee in haar handen. Ze had zich weer even teruggetrokken, maar de zwangerschapsdiscussies in de groep waren er nog. Leo voelde haar aanwezigheid, maar hij deed wat hij moest doen: streng toespreken, duiding geven, grenzen stellen. Een volwassen gesprek op kindniveau, met een wijzende vinger en een serieuze toon.

En toen gebeurde het. Mieke mengde zich in hun gesprek, niet na afloop maar waar het kind bij zat. Ze gaf Leo feedback — harde feedback. Onprofessioneel. Niet-pedagogisch verantwoord. Onjuist handelen. Hoewel allemaal op een hele rustige toon alsof je feedback kreeg van je eigen moeder. Maar het waren woorden die sneden. Het was onnoembaar, niet omdat Leo geen kritiek kon verdragen, maar omdat ze uitgesproken werden op het slechtst mogelijke moment. Dit was daardoor geen feedback meer, maar het afbreken van zijn geloofwaardigheid in het bijzijn van een kind. Een klap in zijn professionele identiteit, die niet fysiek voelde maar emotioneel aanvoelde als een schreeuw van verraad.

Leo bewaarde een koel hoofd; hij keek naar Mieke terwijl hij dacht: Hoe dan? Wat is dit? Wat is er met haar aan de hand?

Er was weinig wat hem kon voorbereiden op deze ervaring. Het was niet enkel de inhoud van de boodschap die fouten aankaartte. Nee, het was hoe de boodschap gecommuniceerd werd — en dat was iets waar Leo niet mee kon leven. Dit was een breuk in de basisregel van pedagogisch handelen; deze richtlijn gold voor iedere professional: je geeft je een collega nooit negatieve feedback waar de doelgroep bij staat.

De verschuiving in de verenigende structuur waar Leo naar had gestreefd, voelde aan als een tegenslag. Mieke had niet alleen zijn autoriteit als groepsleider beschadigd, maar had ook een deeper struggle blootgelegd.

Pagina

1

2

3

4

5

6

Reacties

Plaats een reactie